Soli Deo Gloria!
Zondag 52: zondag
127. Vr. Welke is de zesde bede?
Zesde en zevende bede: En leid ons niet en verzoeking, maar verlos ons van het kwade
De zesde bede luidt: ‘En leid ons niet in verzoeking.’ Deze verzoeking echter – of zoals het vroeger bij ons ‘bekoring’ werd genoemd – komt van drie kanten: van het vlees, van de wereld en van de duivel. Want wij wonen in het vlees en hebben de oude Adam aan onze hals hangen, deze speelt op en zet ons dagelijks aan tot ontucht, luiheid, tot overdaad en dronkenschap, gierigheid en oplichterij, en tot het bedriegen en afzetten van de naaste. Kortom: tot alle verkeerde begeerten die ons van nature aankleven en in ons opgewekt worden door de omgang met andere mensen, door hun voorbeeld en door wat wij horen en zien, dingen die ook dikwijls een onschuldig hart verwonden en doen ontvlammen. Dan is er nog de wereld die ons met woorden en daden beledigt en ons drijft tot drift en boosheid. Alles bij elkaar is er niets dan haat en nijd, vijandschap, geweld en onrecht, ontrouw, wraak, vloeken, schelden, kwaadspreken, hoogmoed. Dan nog het pronken met overtollige versieringen en kleding, hoogmoed om eer, roem en macht, omdat niemand de minste wil zijn, maar ieder vooraan wil zitten en door anderen gezien wil worden.
Dan komt ook nog de duivel, die overal ophitst en stookt, maar die zich vooral begeeft op het gebied van het geweten en de geestelijke dingen. Namelijk om te zorgen dat men Gods Woord en werk in de wind slaat en veracht. Dit doet hij met de bedoeling om ons weg te trekken van het geloof, de hoop en de liefde en ons te brengen tot ongeloof, valse vermetelheid en verharding – of anders wel tot wanhoop en vertwijfeling. Bovendien nog tot het miskennen en lasteren van God, en nog ontelbaar veel andere gruwelijke zaken. Dit zijn de strikken en netten, ja, de echte vurige pijlen, die niet door vlees en bloed, maar door de duivel zelf met schade en gevaar in ons hart worden geschoten.
Deudsch Catechismus (De Grote Catechismus) 1529 cf. WA 30,1, 208, 25 -. 209, 14
Zondag 52: maandag
127. Vr. Welke is de zesde bede?
De zevende bede luidt: ‘Maar verlos ons van het kwade.’ In het Grieks staat hier: ‘Verlos of behoed ons voor de boze of boosaardige.’ Het lijkt dan wel of er wordt gesproken over de duivel, als wil het alles samenvatten: dat al ons bidden zich richt tegen deze aartsvijand. Want hij is het die al deze dingen waarom wij bidden, onder ons verhindert: Gods Naam of eer, Gods Rijk en wil, het dagelijks brood, een vrolijk en goed geweten enzovoort. Daarom vatten wij het tenslotte allemaal samen en zeggen: ‘Lieve Vader, geef ons toch, dat wij van alle ongeluk en ellende worden verlost.’
Maar niet minder is hierbij inbegrepen wat ons aan kwade dingen overkomt onder de heerschappij van de duivel: armoede, schande, dood, kortom alle ongelukkige ellendigheden en kwellingen, waarvan op aarde zo onnoemelijk veel is te vinden. Want omdat de duivel niet alleen een leugenaar, maar ook een moordenaar is, staat hij ons zonder ophouden naar het leven en koelt hij zijn woede waar hij ons maar ongeluk en schade aan ons lichaam kan toebrengen. Daarvan komt het, dat hij velen de nek breekt of van hun zinnen berooft, sommige in het water doet verdrinken en velen voortdrijft om zelfmoord te plegen en nog veel meer verschrikkelijke dingen. Daarom hebben wij op aarde niets anders te doen dan zonder ophouden tegen deze aartsvijand te bidden. Want als God ons niet beschermde, zouden wij geen uur voor hem veilig zijn.
Hieruit zie je, dat God juist ook voor onze lichamelijke aanvechtingen, wil worden aangeroepen en dat men nergens anders dan bij Hem hulp zoekt en verwacht. Dat heeft Hij echter voor de laatste bede bewaard. Want willen wij voor alle kwaad bewaard en ervan verlost worden, dan moet eerst Zijn Naam in ons geheiligd worden, Zijn Rijk bij ons zijn en Zijn wil geschieden. Daarna wil Hij ons voor zonde en schande bewaren en bovendien voor alles wat ons pijn doet en schadelijk is.
Deudsch Catechismus (De Grote Catechismus) 1529 cf. WA 30,1, 210, 15 -. 211,14
Zondag 52: dinsdag
127. Vr. Welke is de zesde bede?
Wie is gedurende een heel uur vrij van aanvechtingen? Dan wil ik nog zwijgen van de onzegbaar vele beproevingen en verzoekingen. Van álle aanvechtingen is dit echter wel de gevaarlijkste: als er helemaal geen aanvechting is en alles naar onze zin gaat, zodat de mens God vergeet, te makkelijk wordt, en de dag van de zaligheid [of de genadetijd] misbruikt. Ja, hier is het aanroepen van Gods Naam nog tienmaal meer nodig dan in een tijd van beproeving. Daarom staat er ook geschreven: ‘Duizend vallen aan de linker- en tienduizend aan de rechterkant’ (vgl. Psalm 91:7). Ook dat zien wij als bij heldere dag: dat er juist gruwelijke overtredingen en ongerechtigheden plaatsvinden in tijden van vrede en voorspoed. (…)
Als dan geen voor- of tegenspoed ons leert om God aan te roepen of op Hem te vertrouwen, dan zou alleen de zonde al meer dan genoeg zijn om ons tot bidden te noodzaken. Want de zonde heeft ons op drie manieren met sterke en grote legers omsingeld. Het eerste is ons eigen vlees, het tweede de wereld, het derde de duivel. Door deze drie worden wij zonder ophouden bestreden en aangevochten. Het vlees zoekt genot en rust, de wereld zoekt bezit, gunst, macht en eer, de duivel zoekt hoogmoed, roem, zelfbehagen en het verachten en haten van onze naaste.
Deze zaken zijn allen bij elkaar zo machtig, dat elk daarvan op zichzelf al voldoende is om een mens genoeg aanvechtingen te bezorgen. Wij kunnen ze immers op geen enkele manier overwinnen dan alleen door gelovig de heilige Naam van God aan te roepen. Zoals Salomo zegt: ‘De Naam van God is een vaste Burg, de gelovige vlucht daarheen en wordt boven alles verheven’ (vgl. Spreuken 18:10). Zo ook David: ‘Ik zal de kelk van het heil drinken en Gods Naam aanroepen’ (vgl. Psalm 116:13). Evenzo: ‘Ik zal met lofzegging God aanroepen, dan zal ik verlost worden van al mijn vijanden’ (vgl. Psalm 18:4). Deze werken en de kracht van Gods Naam zijn voor ons helaas geheel onbekend geworden, omdat wij ons niet aan Hem hebben gewend (vgl. Job 21:22) en nooit ernstig met de zonden hebben gestreden.
Von den guten Werken, 1520, vgl. WA 6, 223, 31 – 224, 3; 225, 12-29
Zondag 52: woensdag
127. Vr. Welke is de zesde bede?
In de kerk is ook [jaarlijks] een dag bestemd waarop we preken over de engelen (1). Dit doen wij voor de jeugd, of, om het beter te zeggen, voor alle christenen, zodat wij de dienst der engelen niet vergeten en God daarvoor blijven danken. In de brief aan de Hebreeën lezen wij dat deze machtige hemelvorsten door God zijn verordend om ons te dienen en te beschermen: ‘Zijn zij niet allen gedienstige geesten, uitgezonden omwille van hen die de zaligheid zullen beërven? (vgl. Hebreeën 1:14).
Het is zeker waar dat God ons ook Zelf kan beschermen voor de duivel en alle aanvechting, zónder de dienst der engelen. Dat wil Hij echter niet doen, maar Hij heeft het zo verordend, dat altijd het ene schepsel het ander moet dienen. Op dezelfde manier als wij God ervoor moeten danken dat hij vader en moeder, wereldlijke overheid, zon en sterren, koren en allerlei andere schepselen aan ons geeft, die ons dienen en helpen in dit tijdelijke leven. Zo moeten wij ook leren dat God ons door Zijn engelen beschermt en bijstaat – daarvoor moeten wij God ook danken.
Want, lieve vrienden, u hebt vaak gehoord dat de duivel overal rondom de mensen is (vgl. 1 Petrus 5:8), aan het hof van een vorst, in de huizen, op het veld, op alle wegen, in het water, in de bossen, in het vuur en noem het maar op. Kortom: alles is vol duivels, die niets anders willen dan iedereen graag zo snel mogelijk de hals breken en ombrengen.
Want het is zeker waar: als God de duivel niet steeds weerhield, dan liet de duivel geen graankorreltje, geen vis of vlees, geen druppel water, bier of wijn onbesmet.
Daarom, als hier iemand een oog of een hand verliest, daar iemand wordt vermoord, of als hij de pest of een andere ziekte krijgt, dan heeft de duivel daar de hand in. Hier werpt hij de één, daar de ander iets naar het hoofd, raakt het, dan heeft hij zijn zin, raakt het echter niet, dan is dat echt een teken dat God hem door Zijn lieve engelen heeft weerstaan.
Op dezelfde manier gaat het als er onvoorziene dingen gebeuren, als de één in het vuur en de ander in het water terechtkomt. In dit alles heeft de duivel zijn hand, die altijd naar ons steekt en slaat en ons graag allerlei ongelukken toebrengt.
Hauspostille 1544 preekte thuis, in 1532, zie WA 52, 715, 30 -. 716, 27 (verkort)
(1) Volgens een oud kerkelijk gebruik, St. Michaëlsdag, 29 september
Zondag 52: donderdag
127. Vr. Welke is de zesde bede?
(Vervolg). Zoals wij zien, is het met de vrome Job ook zo gegaan. Want in zijn levensbeschrijving lezen we dat onze Heere God aan de duivel vraagt: ‘Waar ben je geweest?’ De duivel antwoordt en zegt: ‘Ik heb het land doortrokken.’ Dat zal zeker niet zonder schade zijn gebeurd, want waar hij rond gaat, zegt Petrus, zoekt hij als een leeuw wie hij zou kunnen verslinden en doden. Dan vraagt de Heere verder: ‘Heb je ook acht geslagen op Mijn knecht Job, want niemand is hem gelijk in het hele land, eenvoudig en oprecht, godvrezend en wijkende van het kwaad.’ De satan antwoordt God en zegt: ‘Job kan makkelijk vroom zijn, want U hebt zijn huis en alles wat hij heeft rondom bewaard en als met een muur rondom beschermd.’ Met deze woorden bedoelt hij de lieve engelen, die om Job heen moesten staan, en op zijn vrouw, kinderen, vee en al zijn bezittingen moesten passen (vgl. o.a. Genesis 32:1-2 en 2 Koningen 6:17). Het is alsof de duivel wilde zeggen: ‘Anders zou ik er wel bij zijn gekomen, als U het niet had voorkomen.’ Nu, onze Heere God laat toe dat de duivel Job mag verzoeken en met zijn bezit doen wat hij wil – in een ogenblik is hij erbij. Hij zorgt voor genoeg veedieven, die in de duizend ossen en ezels wegdrijven en de knechten doden. Daarna maakt hij dat er vuur uit de hemel valt en zo verbrandt hij zevenduizend schapen met de herders en alles erbij. In de derde plaats verwekt hij de Chaldeeërs die vallen van drie kanten aan en ontnemen Job drie duizend kamelen en slaan de oppassers dood. Dit alles is op één enkele dag gebeurd! En nog was het niet genoeg. Want Job had ook nog drie dochters en vier zonen die vrolijk en gezellig bij elkaar waren. Kijk, toen verwekte de duivel een geweldige stormwind, zodat het huis waarin zij waren instortte en ze allemaal omkwamen. Dat kon de duivel makkelijk doen, maar toch niet eerder dan God hem daarvoor toestemming gaf. Dat kan met ons ook gebeuren, als onze Heere God Zijn engelen terugroept, is het met ons ook in een ogenblik gedaan.
Hauspostille 1544 preekte thuis, in 1532, te zien. WA 52, 717, 8-33
Zondag 52: vrijdag
128. Vr. Hoe besluit gij uw gebed?
Er is echter aan onze tekst een stukje toegevoegd, waardoor dit gebed besluit met een belijdenis en dankzegging. Die luidt: ‘Want van U is het Rijk en de kracht en de heerlijkheid in eeuwigheid.’ In het slot van dit gebed zijn de ambten en namen die alleen God toekomen, verborgen. Want deze drie dingen heeft Hij Zichzelf voorbehouden: richten, rechten en roemen. Richten of regeren mag niemand dan God, of hij aan wie God het beveelt om als Zijn dienaar en in Zijn plaats te regeren. In de tweede plaats mag niemand anderen rechten, veroordelen of straffen, tenzij hij daarvoor het ambt van Godswege heeft ontvangen. Want zoiets is de mens niet aangeboren, maar wordt door God aan hem geschonken.
Dit is de inhoud van de twee eerste zaken die Hij hier noemt: het Rijk en de kracht, zodat alle gezag alleen aan Hem toekomt – en vervolgens de kracht of de macht, niet alleen om te rechten maar ook om te straffen. God alleen kan straffen, de kwaden onderwerpen en de goeden beschermen. Ieder die moet straffen, mag dit niet anders doen dan in Gods plaats en met Zijn volmacht. Zodat men hierdoor van Godswege het recht handhaaft, beschermt en onderhoudt. Daarom mag niemand zich wreken of zelf strafoefenen, als dit niet zijn ambt of bevoegdheid is. Zoals God zegt: ‘Van Mij is de wraak, Ik zal het vergelden’ (vgl. Deuteronomium 32:35 en Romeinen 12:19), en ergens anders: ‘Wie het zwaard neemt’ – namelijk, om zichzelf te wreken – ‘die zal door het zwaard vergaan’ (vgl Mattheüs 26:52).
Het derde en laatste wat Hij noemt is ‘en de heerlijkheid.’ De eer en de roem en de dank is alleen voor God en Hem eigen, zodat niemand mag roemen in zijn wijsheid, heiligheid of macht: ‘Want uit Hem, en door Hem, en tot Hem zijn alle dingen. Hem zij de heerlijkheid in der eeuwigheid. Amen’ (vgl. Romeinen 11:36). Als wij dus een koning of vorst eren en hem genadige heer noemen of de knie voor hem buigen, gebeurt dat niet omwille van zijn persoon, maar omwille van God. Namelijk omdat deze persoon regeert in Gods plaats. Op dezelfde manier is het dat wij vader en moeder, of die in hun plaats zijn, ook eer moeten bewijzen. Dat doe ik uitsluitend vanwege hun Goddelijke ambt en de heerlijkheid van God die in hen is.
Week preken over Matthew. 5-7, 1530-32 (gedrukte 1532), zie WA 32, 421, 20 -. 422, 8
Zondag 51: zaterdag
129. Vr. Wat beduidt het woordeken: Amen?
Aan het eind van dit gebed leren wij dat God juist ook voor onze lichamelijke aanvechtingen, wil worden aangeroepen en dat men nergens anders dan bij Hem hulp zoekt en verwacht. Dat heeft Hij echter voor de laatste bede bewaard. Want willen wij voor alle kwaad bewaard en ervan verlost worden, dan moet eerst Zijn Naam in ons geheiligd worden, Zijn Rijk bij ons zijn en Zijn wil geschieden.
In deze woorden heeft God heel in het kort alle noden die ons steeds kunnen benauwen voor ons neergelegd, zodat wij geen verontschuldiging hebben om niet te bidden. Maar nu komt het erop aan, dat wij daarop ook ‘Amen’ men leren zeggen. Dat is: niet twijfelen dat het zeker wordt verhoord en zal gebeuren. ‘Amen’ is immers niet anders dan een woord van geloof, dat niet twijfelt, zodat je niet maar op goed geluk bidt, maar weet dat God niet liegt, terwijl Hij heeft beloofd het te geven. Waar dit geloof niet is, daar kan ook niet goed worden gebeden. Daarom is het een kwalijke inbeelding van hen die zo bidden, dat zij er niet van harte ‘Ja en Amen’ op durven te zeggen en met zekerheid geloven dat God verhoort. Zij blijven echter in hun twijfel hangen en zeggen: ‘Zou ik zo vermetel zijn en mij erop beroemen, dat God mijn gebeden zou verhoren? Ik ben toch maar een arme zondaar!’ Dat komt daardoor dat zij niet op Gods belofte zien, maar op hun eigen werk en verdienste. Daarmee verachten zij God en maken Hem tot een leugenaar. Daarom ontvangen zij ook niets. Dit zegt Jakobus in zijn brief: ‘Wie bidt, moet bidden in geloof en niet twijfelen, want wie twijfelt lijkt op een golf in de zee, die door de wind gedreven en bewogen wordt – deze mens moet niet denken, dat hij iets van God zal ontvangen’ (vgl. Jakobus 1:6 vv). Kijk, zoveel is er God aan gelegen dat wij zeker zijn dat wij niet tevergeefs bidden en nooit meer onze eigen gebeden zullen verachten.
Deudsch Catechismus (De Grote Catechismus) in 1529. See WA 30,1, 211, 8-34
zaterdag 23 mei 2015
maandag 18 mei 2015
Derde bede: Uw wil geschiede, gelijk in de hemel, alzo ook op de aarde.
Er is naast een verkeerde wil ook een oprechte goede wil. Onze verkeerde wil moet niet gebeuren, maar ook moet onze goede wil niet gebeuren. Zoals de wil van David om de tempel te bouwen goed was, omdat hij voor God een tempel wilde bouwen en God hem daarom prijst, maar Hij toch niet wil dat het gebeurt. Idem: Christus – Die alleen goed en heilig is – wil in de hof dat de drinkbeker aan Hem zal voorbijgaan en toch moest Zijn goede wil niet gebeuren.
Dit is ook het geval als je de hele wereld wilt bekeren, doden opwekken, zieken genezen, jezelf en iedereen in de hemel brengen en alle wonderen uit Gods Woord verrichten – dan moet je toch niet één daarvan willen, tenzij je jouw wil aan Gods wil onderwerpt en tot niets maakt. Daarom moet je bidden: ‘Mijn lieve Heere God, dit en dat denkt mij goed en naar Uw wil te zijn, behaagt het U dan gebeurt het, behaagt het U niet dan gebeurt het niet.’ God breekt in Zijn heiligen heel vaak de goede wil, zodat zij leren dat hun wil – hoe goed die ook mag wezen – onmetelijk veel geringer is dan Gods wil, daarom moet een geringe goede wil terecht wijken en tot niets worden voor de allerhoogste en onbegrijpelijke goede wil van God.
Nu moeten die nutteloze zwetsers maar heengaan, die de hele Christenheid vol hebben gepreekt, en de arme mensen hebben verleid, en nu nog van bijna alle kansels leren hoe je een goede wil, goede gedachten en goede voornemens moet hebben en maken. Als je dat doet – zeggen ze – dan is alles goed met je! Hiermee doen zij niet anders dan eigenwillige, eigenzinnige en eigengerechtige geesten kweken die altijd tegen Gods wil strijden. Namelijk, mensen die hun eigen wil niet begeren te breken of te onderwerpen aan de wil van God. Zij denken immers dat hun mening en wil de beste is en vóór alle dingen gebeuren moet. Alles wat tegen hun wil ingaat, is volgens hen van de duivel en niet van God.
Hierdoor komt het dat de ene bisschop tegen de andere, de ene kerk tegen de andere vecht, dat geestelijken, monniken en nonnen vechten, haten en strijden, en dat overal twist en tweedracht is. Ieders partij zegt toch dat zij alleen een goede wil, het juiste standpunt en een godzalig voornemen hebben, en zo – alsof het allemaal tot lof en eer van God zou zijn – doen zij alleen maar duivelswerk!Auslegung des Vaterunsers für die einfältigen Laien, 1519, vgl. WA 2, 103, 20 – 104, 19
Wilt u deze Luthercitaten ter kennismaking doorsturen aan uw vrienden. Er zijn geen kosten aan verbonden. Voor het aanmelden/afmelden van deze wekelijkse citaten kunt u gebruikmaken van ons e-mailadres info@maartenluther.com en van onze website: www.maartenluther.com (contact op de homepage).
Abonneren op:
Posts (Atom)